urn
Dorpsstraat
Plaggenhut
Dorpslied van Nieuw-RodenZie hier het Dorpslied van Nieuw Roden

Historie

Nieuw-Roden zijn oorsprong en ontwikkeling in een notendop.

Op het uiterste noordwestelijke gedeelte van Drenthe’s (zand) plateau ligt Nieuw-Roden.

Het zusterdorp van het eeuwenoude Roden is ontstaan aan het einde van de negentiende eeuw. Het lag onder de rook van het hoogveengebied van de heren van Nienoord. De toenmalige hoofdonderwijzer Jacob de Vries omschreef: “Dat uit zo’n armzalig, troosteloos wereldje het welvarende dorp Nieuw-Roden kon ontstaan met een bevolking die door noeste vlijt en taaie volharding zich uit het moeras heeft weten te werken, is zeer verheugend. Ze had gelukkig de tijd mee.”

Dankzij opgravingen en bevindingen van de archeologen zoals o.a. prof. Dr. A.E. van Giffen die al vanaf 1917 onderzoek deed in de bodem van Drenthe, weet de mens van nu hoe men in het verleden leefde. In 1933-1934 onderzocht hij op verzoek van de toenmalige burgemeester Van Wageningen van de gemeente Roden, twee grafheuvels (ook wel meerperiodenheuvels genoemd) tijdens de ontginning en aanleg van een begraafplaats. Aanvankelijk waren het er drie maar de derde was helaas al verloren gegaan.
Volgens de huidige datering stamt heuvel 1 uit de periode ca. 2600-2400 voor Chr. Heuvel 2: ca. 1600-1400 voor Chr. De heuvels zijn in het verleden ernstig geschonden.
De vondsten bevinden zich in het Provinciaal Museum te Assen. Bron: Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1935, druk: J. Wolters.

In de laatste ijstijd heeft de Steenbergerloop, die van oorsprong breder moet zijn, zich gevormd. Tegenwoordig is het zichtbaar hoe deze gletsjer vergezeld met ijs en stenen, bomen en aarde zich een weg heeft gebaand door het landschap. De mens en het dierenrijk kunnen niet zonder water en leefden (nederzetting), dichtbij een dergelijk water. Het vee graasde op de groene oevers.
Zeer aannemelijk zullen ook de rendierjagers langs deze Loop gezworven hebben. Volgens Mr. J. Linthorst - Homan “Geschiedenis van Drenthe”, druk: Van Gorcum Assen, blijkt dat 10000 jaar geleden hele volksstammen naar betere leefgebieden zochten dit gezien de vele vondsten van vuurstenen voorwerpen en aardewerk die vooral langs de stroompjes gevonden zijn. Twintig eeuwen voor Christus bouwden deze bevolkingen hunebedden zoals o.a. te Steenbergen en grafheuvels waarin men hun doden bijzette.

Ongeveer 3500 jaar geleden zou een behoorlijke klimaatverandering de plantengroei in Drenthe danig hebben veranderd van toendra tot heide. Opgravingen brachten tevens het bewijs dat ten noorden van Nieuw-Roden, het gebied de Vijfde Verloting genoemd, een legerplaats gekend heeft waar o.a. een paalwoning van 30 meter lang is blootgelegd.
De bewoning van Nieuw-Roden (het voormalige Westeinderveld/Roderveld) moet langdurig geweest zijn.
Tot aan Steenbergen was één grote begraafplaats dit gezien aan de vele tientallen grafheuvels die voor en tijdens de ontginningen gevonden zijn.

Door het onvruchtbaar worden van de bodem, verliet de bevolking dit gebied. Eeuwenlang zou daarna het grote heideveld, met hoogveen, ongerept achter zijn gelaten.

In oktober 1853 komen de wijken, Pools, Lange, Korte en de Bisschopswijk tijdens de ontginningen vanuit Oostindië gereed.
Begin 1800 had de heer De Lille van huize Ter-Heijl, de Drentsewijk laten graven, dit ter verbetering van het bevaarbaar maken van het Oude Diep die door Oostindië liep en loopt. Deze had een verbinding met het Leeksterhoofddiep.

De wijken werden gebruikt voor afvoer van turf en veen, maar ook voor de aanvoer van grond en bouwmaterialen voor de nieuwe streek dat zich langzaam zou ontwikkelen. Deze verveningperiode trok arbeiders aan uit de wijde omgeving. Aanvankelijk woonde men tijdelijk in een eenvoudige spitketen, plaggenhutten of een holwoning, vaak onder erbarmelijke omstandigheden. Nadien zouden enkelen zich definitief met hun gezinnen vestigen in deze regio. Het bezit van een eigen schop en kruiwagen en een stukje grond, dat meestal weinig opbracht, een geit als melkkoe was een groot goed.
Om een redelijk bestaan te hebben was men genoodzaakt naast de werkzaamheden in de vervening, elders extra inkomsten te zoeken.
Die vond men met o.a. eekschillen, bezembinden en werken bij de boer en op de vlasfabriek.
Ook de kerk heeft hierin een rol vervuld d.m.v. bedeling voor de aller armsten.

Tijdens de eerste wereldoorlog was de ontginning rond de Poolswijk in volle gang. Het was een slechte tijd, maar ondanks dat slaagden de kleine boeren erin op de nieuwe groene weiden met grazend vee en omgeploegde akkers met goede opbrengsten, een goed bestaan op te bouwen.

Met de komst van scholen in 1903 en 1931 en de kerk in 1922 omgeven met moderne woningen en winkels behoorden de plaggenhutten sinds 1924 tot het verleden.

Door toename van woningbouw en eigen werkgelegenheid en industrie, ontwikkelde Nieuw-Roden zich tot een waardig modern dorp.

Het kreeg in 1930 een nieuwe benaming, n.l.: Nieuw-Roden.
In de periode 1937-1947 zou het dorp zich snel verder ontwikkelen zoals wij het nu kennen.

Door de komst van een groot aantal huurwoningen in dezelfde kleur qua stenen en dakpannen, zou het dorp een tuindorp uitstraling geven. Aan de oostzijde van het dorp kwam in 1960-1966 nieuwbouw van huurwoningen en bracht een behoorlijke uitbreiding van het dorp teweeg waarin ook de bouw plaatsvond van het dorpshuis in 1962.

Aanvang verdere ontwikkelingen:

Roderveld 1 in 1976
Roderveld 2 in 1980
Roderveld 3 in 1987
Vijfde Verloting in 1992

Roderveld 4 wordt in 2010 ontwikkeld